"Weet je wat ook een mooi beroep is? Doodgraver". Zomaar een gesprekje tussen twee veertigers in een café op vrijdagavond. "Doodgraver, da's slecht voor je rug, man. Moet je niet doen", vindt de kalende man naast blauw spijkerjack. Het spijkerjack denkt na. "Ik bedoel ook geen doodgraver. Wacht, hoe heet dat nou? O ja, uitvaartbegeleider." Kalende man kijkt nog steeds niet onder de indruk en daarom doet het spijkerjack er nog een schepje bovenop. "Het lijkt me prachtig, statig voor een kist uitlopen, begripvol kijken, meeslepende gebaren, beetje theatraal op zijn tijd en daar je geld mee verdienen. Ja, toneel is leuk, maar misschien ga ik nog eens een nieuwe carrière starten."
Van het gesprekje naast me, denk ik aan ‘ons' familiegraf in Amsterdam. Het is een graf uit 1935. De begraafplaats is mooi met sfeervolle lanen en oude bomen. Er zijn oude en nieuwe graven. Op de oude velden maken geruimde graven plaats voor nieuwe doden. Sober en kleurrijk, sommige smaakvol en sommige - tja- vooral bijzonder. Mijn overgrootouders liggen er begraven, mijn grootouders, mijn oudste broer en sinds een paar jaar ligt mijn vader er ook. Af en toe kom ik er en laatst was weer een ‘af en toe'.
"Heb ik je ooit verteld van de bijzetting van mijn vader?", vraag ik Stefan die met me mee is. "Nee, natuurlijk heb ik dat nooit verteld", bedenk ik me, "Het was zo'n gebeurtenis die met recht in aanmerking komt voor het predikaat ´absurd´." Ik kijk terug naar die maartse dag in Amsterdam. Zusje en ik zitten samen in een kamer te wachten met de asbus op tafel, smaakvol verpakt in een stemmige doos met vallend blad. Veel grijs- en aardetinten. De stemmige doos heb ik gelukkig dezelfde ochtend al kunnen ophalen. ‘Da's de eerste keer dat mijn vader met mij meerijd, het was altijd andersom', constateer ik bij knooppunt Oudenrijn.
We drinken onze thee in afwachting van wat komen gaat. Een vriendelijke man in gepaste kledij komt binnen. Zijn blik staat op voorkomend. We willen opstaan en hem een hand geven omdat we denken dat het zo hoort.
"Blijft u rustig zitten. Heeft u de papieren meegenomen?", klinkt voorkomende meneer vriendelijk. Ik geef hem een stapeltje papier met aanvraag, vergunning en de andere noodzakelijkheden.
"Mevrouw, drinkt u rustig uw thee op. Dan haal ik ondertussen even de strooibus", spreekt Voorkomende meneer.
"Strooibus?", reageren zusje en ik uit één mond.
"Momentje alstublieft, ik ben zo terug".
"Meneer, verstond ik..: strooibus?", probeer ik voorzichtig en doortastend tegelijk.
"Jazeker, geeft u de urn maar aan mij".
"Meneer, wat moeten wij met een strooibus?", probeer ik wat doortastender, terwijl ik geen moment van plan ben om de as van mijn vader aan de voorkomende meneer in gepaste kledij te geven.
"Nou, dat lijkt me logisch. De as van uw vader wordt toch verstrooid vandaag?"
"Nee meneer, wij zijn hier voor een bijzetting." Inmiddels klink ik vooral correct en ik houd mijn vader stevig vast.
"Ohhhhw, weet u dat wel zeker?", voorkomende meneer lijkt nog steeds graag de strooibus te willen hanteren.
"Ja, ik heb u net de papieren gegeven met de bevestiging", zucht ik.
"O, ik zie het al. Hij schiet in de lach maar corrigeert zich snel. ´Ach´, zegt hij met een brede grijns van oor tot oor. `laat die strooibus dan maar zitten..."
vrijdag 6 juni 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten